donderdag 5 januari 2012

Wanneer de nacht blind is

Hoofdstuk 1




"Kijk, het gaat er niet om waarom je het zou doen, het gaat er om dat je het doet. Je doet het of je doet het niet. Simpeler kan het niet zijn. Stel geen vragen waar je zelf geen antwoord op weet. Weet of weet niet. Kijk altijd vooruit en draai je nooit om. Zie of zie niet. Laat nooit een traan en toon geen zwakte. Leef of sterf. En als laatste punt: geef nooit toe aan wie je was, want dat ben je niet meer". Ik kijk naar haar. Ze staat met haar rug naar mij toe. Ze heeft zwarte krullen. Mooi haar, denk ik. Ik ken haar niet, ik heb haar nooit gekend en ik zal haar nooit kennen, beloof ik mezelf. Zij draait zich om en ik kijk naar beneden. Mijn voeten zijn bloot. Ik hou niet van mijn voeten. Ze hebben veel te lange tenen en je kan bij beide voeten een ader zien. Mijn voeten zijn lelijk. Ik kijk snel naar mijn handen, ze trillen. Ik tril. Ik voel me onaangenaam door mijn blote voeten, blote handen en blote benen. Ik ben naakt. Ik sta compleet naakt tegenover een onbekende aangeklede vrouw in een onbekende ruimte, een koude ruimte.
Plotseling voel ik een warme lucht in mijn nek. Geschrokken kijk ik op. De vrouw staat niet meer voor me, ze staat achter me. Ik voel haar adem in mijn nek, haar zwarte krullen op mijn rug, haar hoofd op mijn schouder en haar handen op mijn heupen. Ik sta doodstil en geschokt rechtovereind. Ze raakt me aan! Ze raakt mijn naakte lichaam aan! “Je bent een mooi meisje”, zegt ze. Ik ben niet mooi, denk ik, maar door dat zij zegt dat ze mij mooi vindt, wordt de verleiding groot.
“Ik ben niet lesbisch”, zeg ik.
“Ik ook niet”, zegt ze, “maar dat wordt je hier vanzelf”. Ze kust me in mijn nek.


Haar hakken klonken luid door de gang. Ik stond stil. Ze liep achter mijn rug om, rechtdoor, zonder één andere richting. Ze kwam rechtdoor de gang in en liep rechtdoor de gang uit, door de klapdeuren, de volgende gang in. De gang was breed en ik keek naar een van de schilderijen. Ik had haar nooit beseft. Het was een gang in een openbare ruimte. Het kon iedereen zijn. Ik had haar wazig in mijn ooghoeken gezien. Zwarte krullen had ze. Mooi haar, dacht ik. Ik keek weer naar het schilderij. Abstracte kunst boeide me nooit, maar dit schilderij had me aangesproken. De lijnen toonden liefde, agressie en wanhoop. Misschien was het het lot dat ik bleef staan en zonder besef haar tegen zou komen. Gewoon omdat zij mij daar nu aan kan laten herinneren, mij diep laten graven in mijn geheugen. Zij mij nu kan vertellen tot in detail wat de situatie was en ik nu zou beseffen dat zij dat was en vooral waarom.


Miss Black